Pagina voor pagina fileert historicus Arnout van Cruyningen de recente uitgave van Dorine Hermans. Wie zijn bespreking van ‘Wie ben ik’ leest, is in staat het boekje meteen in de prullebak te gooien. Vlot geschreven, inderdaad, het leest lekker weg, oordeelt Van Cruyningen, maar van de feiten heeft Hermans een potje gemaakt.
En Van Cruyningen weet waarover hij het heeft: Hermans ‘leende’ royaal uit zijn doctoraalscriptie van jaren geleden. Zonder de materie echter te begrijpen of zelf terug te grijpen op het onderliggende onderzoek, constateert hij met kenmerkende nuchterheid. Volkomen terecht vraagt Van Cruyningen zich dan ook af hoe Hermans ooit aan de kwalificatie ‘koningshuisdeskundige’ is gekomen.
‘Met enige regelmaat debiteert Hermans van alles en nog wat over de monarchie en haar vertegenwoordigers (...) Zij doet dat steevast met het air van iemand die over bijzondere, om niet te zeggen esoterische kennis over het onderwerp beschikt. Met veel aplomb doet zij de meest krasse beweringen. Maar ook onzin die met grote stelligheid wordt gebracht, blijft wel onzin natuurlijk. En zelfs degene die nog wegkomt met het uit de nek kletsen, stuit vroeg of laat op problemen en bezwaren bij het op schrift stellen van die beweringen’, noteert Van Cruyningen in zijn ontmaskerende recensie.
Hij vraagt zich af waarom Hermans’ publicaties zoveel irritatie opgroepen en denkt dat dit komt door de combinatie van oppervlakkig onderzoek met de gretigheid om desondanks ook alle roddels en kletspraat in haar werk op te nemen. Van Cruyningen noemt het ‘valsigheid in geschrifte’, een kunst die ook Daniel Hooghiemstra (medeauteur van het omstreden boek ‘Voor de troon wordt men niet ongestraft geboren’) goed verstaat. Het omstandig uitserveren van de herinneringen van padvinder en zelfbenoemd ‘hersenontginner’ Huub van ‘t Hek aan twee - naar eigen zeggen indringende - gesprekken met prins Claus (in 1981) is daar een voorbeeld van.
Van Cruyningen opent zijn eigenlijke bespreking van het boek ‘Wie ben ik dat ik dit doen mag’ door meteen al het basisgegeven onderuit te halen. Hermans schrijft over zes koninklijke inhuldigingen – zij weet in tegenstelling tot de meeste leden van de Tweede Kamer tenminste wel dat Nederland geen kroningen kent, hj– maar, zo stelt Van Cruyningen terecht: het zijn er zeven geweest! Willem I had er namelijk twee, als soeverein vorst in 1814 en als koning in 1815. En als het fundament niet deugt, dan valt er van de rest van het bouwwerk ook niet veel te verwachten..........
Ronduit ontluisterend – voor Hermans althans – is de lange en nog niet eens volledige opsomming die Van Cruyningen vervolgens geeft van alle ‘missers’ in het boek. Verkeerde data, verkeerde namen, verwisseling van personen, verkeerde interpretaties, foute veronderstellingen. Hermans blijkt zelfs de tekst van de grondwettelijke eed eigenhandig te hebben gewijzigd, constateert Van Cruyningen en ze introduceert enkele handelingen rond de inhuldiging waarvoor nergens anders enig ‘bewijs’ is te vinden. Het boek lijkt qua onjuistheden te wedijveren met het broddelwerk van twee Argentijnse journalisten die een ‘biografie’ in elkaar flansten over Máxima (zie voor die recensie, hier).
Van Cruyningen staat in zijn mening niet alleen. Publiekrecht & Politiek schrijft over het boek: ‘Het idee (schrijven over inhuldigingen) blijkt echter nogal goedkoop te zijn uitgevoerd. Het gaat namelijk nauwelijks over inhuldigingen. In plaats daarvan staat de in te huldigen vorst op de dag van huldiging vroeg op om tientallen pagina’s lang te mijmeren over de prestaties van zijn of haar voorganger, en te peinzen over wat nog komen gaat. Voor Hermans volop gelegenheid om te doen waar ze goed in is: Oranjevorsten lekker lullig afschilderen. (...)
Lees de twee beschouwingen: Publiekrecht & Politiek: http://www.publiekrechtenpolitiek.nl/boekreview-wie-ben-ik-dat-ik-dit-doen-mag/
En Arnout van Cruyningen (doorklikken naar Hermans)
Een (kleine) greep uit de lange lijst met fouten uit het boek (zoals opgemerkt door Arnout van Cruyningen):
* Pagina 9 beweert Hermans dat de grondwet werd voorgelezen bij de inhuldiging in 1814, het zou anderhalf uur hebben geduurd; de voorlezing is echter pas in 1815 ingesteld, op aandrang van het Zuiden; bij de grondwetsherziening van 1848 werd de voorlezing weer afgeschaft.
* Pagina 15: Willem V overleed niet in het 'verre Engeland' maar in Brunswijk.
* Pagina 38: 'Britse kroonprinses Charlotte’ = prinses Charlotte van Wales, dochter van de Prins van Wales.
* Pagina 42: 'linkerhand op het boek met de grondwet’ = niet juist (vorst zwoer niet met hand op de grondwet)
* Pagina 64: Anna Paulowna werd niet koningin op de inhuldigingsdag (28 november 1840) maar was het sinds de troonsbestijging van haar echtgenoot, Koning Willem II (7 oktober 1840).
* Pagina 80: Prinses Marianne, 'die getrouwd was met de Pruisische kroonprins Albert’ - Albert was geen kroonprins maar de jongste zoon van koning Friedrich Wilhelm III van Pruisen.
* Pagina 109: Marianne zou zich in 1846 losbandig hebben gedragen 'op haar landgoed in Voorburg’; de prinses verwierf dat landgoed pas in 1848.
* Pagina 114: Prinses Marianne was volgens Hermans ten tijde van de inhuldiging van koning Willem III (12 mei 1849) 'nog in Palestina’ - de prinses vertrok uit Nederland in juli 1849, beviel op 30 oktober 1849 van een zoon op Sicilië en trok vervolgens via Egypte naar het Heilige Land.
* Pagina 116 - Degenen die in plaats van de eed de belofte aflegden (mogelijk gemaakt bij de grondwetsherziening van 1848) zeiden volgens Hermans: 'Dat zweer ik!’ Dat zeiden ze nu juist niet, maar 'Dat beloof ik!’ Men zweert: 'Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!' OF belooft: 'Dat beloof ik!’
* Pagina 131: 'Wiwil maakte de bruiloft niet meer mee, hij stierf vlak tevoren.’ - De bruiloft van Willem III vond plaats op 7 januari 1879; Prins Willem (Wiwill) overleed op 11 juni 1879.
* Pagina 137: Wilhelmina 'liet geen traan op de voorste rij in de kerk in Delft’ , bij de begrafenis van Willem III - Wilhelmina woonde die begrafenisdienst niet bij en kon dus niet op de voorste rij zitten.
* Pagina 197: 'Behalve de Oranjes waren ook andere koninklijke families gevlucht naar het vrije Engeland, zoals de Zweedse koning.’ - Zweden was een van de weinige landen die neutraal bleven in de Tweede Wereldoorlog. Koning Gustaf V van Zweden ging dan ook niet naar Engeland.
'Dit boek is geen wetenschapelijk [sic!] werk’‚ stelt Dorine Hermans bescheiden op pagina 282. Waarvan akte.





Reacties